Wat afvalt van den hoogen God Moet vallen. Eenzelfde deel, eenzelfde lot Voor allen. ‘t Gezin, ‘t geslacht, het volk, de staat, De kleinen en de grooten. Verlaten wordt, wat God verlaat, Wat God verstoot, verstooten. Wel hoort men dagelijks stem op stem Weelinken: “Geen nood! Wij redden ‘t zonder Hem!” Maar die het zeggen, — zinken.
